Transcription downloaded from https://preken.dewaal.it/sermons/106139/geven/. Disclaimer: this is an automatically generated machine transcription - there may be small errors or mistranscriptions. Please refer to the original audio if you are in any doubt. [0:00] Ja, lieve mensen, een hele goede morgen. Fijn om u weer te mogen ontmoeten.! Fijn om hier weer te zijn.! Het is een heel blijvende stad, maar we zijn op weg naar de toekomstige stad, naar het Nieuw-Jeruzalem. [0:37] We zijn op weg naar Gods heerlijke toekomst voor ons. En daarin mogen we elkaar als mede-pelgrims ontmoeten en bemoedigen en opbouwen. En ik dacht, misschien is het ook goed om een keer te wijzen op de nieuwsbrief die wij zelf ook uitgeven, vier keer per jaar. [0:54] Ik doe dat eigenlijk nooit, maar ik vind het ook niet zo makkelijk om iets over mezelf te zeggen, maar ik dacht, misschien is het ook goed als u iets meer te weten kunt komen over de weg die de Heerde met ons gaat en de bediening die de Heerde ons heeft toevertrouwd. [1:08] Ik ben twaalf jaar gemeentevoorganger geweest. Ik was 27 toen ik werd aangesteld als vaste predikant, voorganger van een baptistengemeente. En die gemeente heb ik zes jaar gediend en daarna heb ik nog zes jaar een andere gemeente gediend. [1:24] Dus ik ben precies twaalf jaar vaste predikant geweest in één gemeente, maar het is nu alweer zeven jaar dat de Heerde mij heeft gesteld in een bediening waarin ik vrij ben om te spreken, zodat ik ook bijvoorbeeld bij jullie kan komen en ik kom op zondagmorgen in heel veel gemeentes. [1:42] En elke zondagavond heb ik ook een dienst en soms ook nog zondagmiddag. En door de week heb ik bijbelstudies en spreekbeurten en ik spreek voor organisaties en voor de radio. [1:52] De Heerde heeft eigenlijk van het begin af aan dat we deze stap hebben gezet, heeft de Heerde voortdurend ook deuren geopend. En elke keer weer nieuwe deuren. [2:04] Maar dat betekent wel dat ik niet meer een gemeente heb die echt de verantwoordelijkheid voor ons neemt en dat we in een vrije bediening staan waarin we niet kunnen zonder het gebed en de betrokkenheid van mensen die ons daarbij willen helpen. [2:18] En daarom hebben we ook een nieuwsbrief die we vier keer per jaar versturen en afgelopen december heb ik in mijn nieuwsbrief nog weer eens een keertje heel duidelijk, na zeven jaar, de eerste zeven jaar hebben we nu gehad en de visie voor deze bediening op papier gezet. [2:34] En toen dacht ik, als u het fijn vindt om dat te lezen, kunt u vanmorgen mijn nieuwsbrief ook meenemen. Dus hij ligt op de tafel bij de uitgang van dit gebouw. Waar we vanmorgen over willen nadenken is eigenlijk een principe en dat is dat we zijn geroepen om uit te delen. [2:54] En ik vind het zo mooi dat dat vanmorgen in het samen bidden ook naar voren kwam, terwijl niemand wist waar ik het over zou gaan hebben, dat we van datgene wat wij van de heren ontvangen, dat we daar ook vrijelijk van mogen uitdelen. [3:07] Zoals de heer Jezus ook heeft gezegd tegen zijn discipelen, om niet heb je ontvangen. Dat wil zeggen, gratis, zomaar, als een geschenk, heb je ontvangen. [3:23] En van dat wat je ontvangen hebt mag je ook uitdelen. En we willen met elkaar nadenken over het worden van een blijmoedige gegever. En we lezen daarover in 2 Korinther hoofdstuk 9. [3:34] En de context daarvan is dat het gaat over het geven van ons geld. Maar het gaat over meer dan dat. En vanmorgen wil ik wel ook een paar dingen zeggen over geld. Maar het gaat over een bepaalde houding waarmee we in het leven staan. [3:50] En het gaat over allerlei dingen waarin we kunnen geven. En ik vind het een prachtig gedeelte. Ik ben blij om erover te spreken. Laten we met elkaar lezen. 2 Korinther 9 vers 6 tot en met 15. [4:04] En ik lees u dit keer voor uit de herziene statenvertaling. 2 Korinther 9 vanaf vers 6. En er staat bij mij boven Gods onuitsprekelijke gaven. [4:15] En dit zeg ik. Wie karig zaait, zal ook karig oogsten. En wie zegenrijk zaait of wie mildelijk zaait, die zal ook mildelijk of zegenrijk oogsten. [4:35] Laat ieder doen zoals hij in zijn hart voorgenomen heeft. Niet met tegenzin of uit dwang. Want God heeft een blijmoedige gegever lief. En God is bij machten elke vorm van genade overvloedig te maken in u. [4:50] Zodat u, wanneer u in alles, altijd, al het nodige bezit, overvloedig kunt zijn in elk goed werk. [5:02] Zoals geschreven staat. Hij heeft uitgestrooid. Hij heeft aan de armen gegeven. Zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid. Hij en u die de zaai er zaad verschaft, mogen ook brood tot voedsel schenken en uw zaai goed doen toenemen en de vruchten van uw gerechtigheid vermeerderen. [5:25] Zo zult u in alles rijk worden tot alle vrijgevigheid in staat. Een vrijgevigheid die door middel van ons dankzegging aan God teweeg brengt. [5:38] Want het betonen van deze dienst vult niet alleen de tekorten van de heiligen aan, maar is ook een overvloedige bron van veel dankzeggingen aan God. [5:48] Want door dit bewijs van dienstbetoon verheerlijken zij God vanwege de onderdanigheid aan het evangelie van Christus, of de gehoorzaamheid aan het evangelie van Christus, overeenkomstig uw beleidenis, en vanwege de gulle handreiking aan hen en aan allen. [6:08] En in hun gebed voor u verlangen zij vurig naar u vanwege de alles overtreffende genade van God over u. Ja, God zij dank voor zijn onuitsprekelijke gaven. [6:24] En met dat laatste vers wil ik beginnen. God zij dank voor zijn onuitsprekelijke gaven. En Paulus die heeft het hier natuurlijk over dat de Bijbel zegt dat God zijn enige geboren zoon heeft gegeven. [6:41] Zijn onuitsprekelijke gaven. En dat is zo groot, dat is zo onvoorstelbaar. Hij noemt het hier onuitsprekelijk. En bij dat woordje moet ik ook denken aan wat even verderop in deze brief van Paulus staat, waar hij vertelt dat Paulus is opgenomen geweest in de hemel. [7:01] En dat wordt wel in verband gebracht met wat we in het boek Handelingen lezen, dat Paulus op een gegeven moment wordt gestenigd. En dat hij de stad wordt uitgesleurd en dat hij buiten de stad wordt neergelegd en dat de mensen denken dat hij dood is. [7:12] Maar dat daarna de discipelen komen en die gaan om hem heen staan en die bidden voor hem en dan komt Paulus weer tot leven. En je zou kunnen zeggen, Paulus heeft een bijna doodervaring gehad. [7:24] En in 2 Korinther hoofdstuk 12 spreekt hij over wat hij toen heeft meegemaakt. Dan zegt hij dat hij is opgenomen geweest in de hemel. Ja, hij spreekt in de derde persoon enkelvoud. Hij heeft het over iemand anders. [7:35] Maar als je de context goed begrijpt, dan besef je dat hij het over zichzelf heeft. En dan zegt hij dat hij daar woorden heeft gehoord die het de mens niet geoorloofd is uit te spreken. [7:49] Zo mooi. Zo onvoorstelbaar schitterend. Hij heeft daar dingen gezien en dingen gehoord. Hij is daar in een werkelijkheid geweest die voor ons, met ons verstand hier op aarde, niet te doorgronden is. [8:04] En hij noemt dat dan in zekere zin, hij noemt dat onuitsprekelijk. Die woorden zijn de mens niet geoorloofd om uit te spreken. Dat gaat ons voorstellingsvermogen, gaat dat te boven. [8:15] En hier spreekt Paulus over Gods onuitsprekelijke gaven. Met andere woorden, wat God ons heeft gegeven, dat is nog veel en veel en veel groter dan wij tot nu toe ooit hebben beseft. [8:28] Wij kunnen dat met ons beperkte menselijke verstand aan deze kant van de eeuwigheid niet ten volle begrijpen. Met andere woorden, wij zijn nog nooit uitgekeken op Jezus Christus. [8:39] We hebben nog nooit ten volle begrepen hoeveel de Heere God ons heeft gegeven. En om toch te proberen om er wat woorden aan te geven, moet je voorstellen, er is maar één God. [8:52] Hij alleen is de eeuwige. En toen de hemel en aarde er nog niet waren, is hij er altijd al geweest. En hij is de bron van leven. En alle leven is uit hem. [9:05] En hij heeft alles gemaakt. Hij heeft hemel en aarde geschapen. En hij heeft ons mensen geschapen als de kroon op zijn schepping. [9:17] Als het allermooiste van wat hij heeft gemaakt. En wij mensen, wij hebben ons van hem afgekeerd. Wij zijn ondankbaar geworden. Wij zijn afgoden gaan dienen. [9:29] Wij hebben hem de rug toegekeerd. We hebben eigenlijk gezegd van, ja we hoeven u niet meer. Maar de God van hemel en aarde, de enige God die is, die heeft besloten om toch tot ons te blijven spreken. [9:50] Toch ons te blijven zoeken. En ons te blijven trekken tot hemzelf. Hij heeft niet de rug naar ons toegekeerd. Hij is mens geworden. In Jezus Christus. [10:04] En toen waren wij nog steeds zijn vijanden. Wij waren nog steeds mensen die zeiden, we hoeven u niet. Maar hij heeft zich vernederd. Heeft zich ontledigd. [10:17] In zijn zoon Jezus Christus. En God heeft zijn zoon, de vader heeft zijn zoon gegeven. En Jezus als mens zijnde, heeft voor mensen die hem in het gezicht spuwden. [10:31] En die hem met vuisten sloegen. En die zeiden weg met hem. En die zeiden kruisig hem. En ten diepste hebben wij daar allemaal bij gehoord, bij die categorie mensen. [10:42] Voor die mensen heeft Jezus, die aan God gelijk is. Die de schepper is van hemel en aarde. Die God zelf is. Heeft Jezus zich gegeven tot in de dood. [10:58] Voor vijanden. De God van hemel en aarde. Amazing love. How can it be that thou my God should die for me. [11:10] Dat is de evangelie. En dat is echt, als je dat een beetje begrijpt. Dan is dat zo onvoorstelbaar. Dan word je daar echt stil van. [11:22] Dan zeg je met Paulus, God zij dank. God zij dank. Voor zijn onuitsprekelijke gaven. En waar we dan bij bepaald worden, is dat onze God dus heel erg royaal is. [11:33] Onze God is echt een gever met een hoofdletter. Hij heeft ons alles gegeven, deze wereld om in te wonen. Hij heeft vanmorgen weer de zon voor ons doen opkomen. Hij geeft ons vandaag voedsel om te eten. [11:47] Hij heeft ons een lichaam gegeven en hij geeft ons ook kleding. Hij heeft ons het leven gegeven en hij geeft ons eten en drinken om in leven te blijven. Hij geeft ons lucht om in te ademen. [11:58] Hij geeft ons vrienden en familie en dierbaren. Hij geeft ons zelfs het eeuwige leven in zijn zoon. God is buitengewoon vrijgevig. [12:13] De Bijbel leert dat wij helemaal niets verdienen. Dat wij door onze zonden eigenlijk het recht op het leven volkomen hebben verspeeld. Verspeeld. Wij hebben gezondigd en wij behoren eigenlijk te sterven. [12:28] We hebben eigenlijk helemaal geen recht, überhaupt niet. Recht om meer te leven. Want het loon dat de zonde geeft is de dood. Maar God geeft ons het leven aan deze kant van de eeuwigheid. [12:39] En hij geeft ons in zijn zoon zelfs het leven tot in alle eeuwigheid. Voor altijd en altijd. En het leven waar wij naartoe op weg zijn is veel en veel mooier. En veel zaliger en veel avontuurlijker en veel veelzijdiger. [12:54] Dan het leven dat wij nu meemaken. En dat is onze God. En hij is echt de vrijgevige God. Trouwens een boekje van Tim Keller heeft die titel. [13:05] De Vrijgevige God is een van de best verkochte boeken. Christelijke boeken van het afgelopen jaar. De Vrijgevige God. Zo is onze God. En als je denkt aan Jezus. [13:16] Jezus was bij uitstek iemand die zichzelf heeft gegeven. Hij gaf zijn liefde. Hij had zondaars lief. Hij gaf zijn tijd. [13:28] Hij diende mensen. Hij gaf onderwijs. Hij gaf brood. Hij gaf genezing. Hij bevrijdde mensen. Jezus was ook precies zoals zijn vader. [13:40] Zeer mild. En heeft altijd zelfs tot in het ultieme offer heeft hij zichzelf gegeven. Want het is zaliger te geven dan te ontvangen. [13:52] En dat begreep Jezus. En nou. Als we deze God hebben leren kennen. Als wij God de Vader hebben leren kennen. Die zijn zoon voor ons heeft gegeven. Zijn enige geboren zoon. Zijn geliefde zoon. [14:04] En als we Jezus hebben leren kennen. Die als mens op aarde. Een dienstbaar leven heeft geleid. En voortdurend weggaf aan anderen. En wij beleiden vanmorgen met elkaar. [14:15] Dat wij discipelen zijn van Jezus. Dat wij leerlingen zijn van Jezus. En dat we hem willen volgen. Dan worden wij ook opgeroepen. Om ook een vrijgevig mens te worden. Om ook een royale houding te krijgen. [14:30] Dat wij ook de smaak te pakken krijgen. Van wat de Bijbel zegt. Het is zaliger te geven dan te ontvangen. En weet u de context van dit Bijbelgedeelte. [14:41] Dat we hebben gelezen. Dat is inderdaad een collecte. Die gehouden wordt. Die gehouden is. Voor de gelovigen in Jeruzalem. De achtergrond is. [14:51] Dat ook de gemeente de Korinthe. Dat ze ook gaven. Voor de noden van de broeders en de zusters. In Jeruzalem. En in Judea. Want we lezen namelijk ook weer in het boek Handelingen. [15:03] Kijk het boek Handelingen vormt de achtergrond. Van de brief van Paulus. Maar we lezen daar. Dat er op een gegeven moment een hongersnood ontstaat. In Judea. En dat er velen zijn. Daar die nauwelijks te eten hebben. [15:15] En die niet mannen. Die niet hun vrouwen en kinderen. Gewoon normaal eten konden geven. En een hongersnood kan heel erg zijn. En toen hebben ze in de zendingsgemeente. [15:26] De gemeente die ontstaan waren. Door het zendingswerk. Hebben de apostelen een collecte. Een inzameling georganiseerd. En vanuit die gemeente. Waar geen hongersnood was. Werd gegeven. [15:36] Werd ingezameld. En dat geld werd door de apostelen ook gebracht. Naar de gelovigen in Jeruzalem. En in Judea. En op die manier werd in hun nood voorzien. Daarover lezen wij in het Nieuwe Testament. [15:48] En daar heeft Paulus het ook over. In dit Bijbelgedeelte. Maar. Wat ik al zei. Weet je. Het gaat vanmorgen niet. Alleen maar over het geven van ons geld. [16:00] Dat hoort er ook bij. En ik zal daar straks wel iets meer over zeggen. Maar. Ik wil dat u vanmorgen dit hele thema ziet. In een veel breder perspectief. [16:12] Want wordt ook gesproken over de vrucht van uw gerechtigheid. Het is ook het geven van goede daden. Die je voor een ander doet. Het heeft te maken met dat je een vruchtbaar leven leidt. [16:25] In allerlei opzichten. Wat kan je geven? Nou bijvoorbeeld. Je kan aandacht geven aan een ander. Een luisterend oor kan je geven. [16:38] Heel veel mensen zijn eenzaam. Eenzaamheid is echt. Een soort. Epidemie in ons land. Met alle moderne technologische vooruitgang. [16:51] Is toch de sociale samenhang. In de maatschappij in Nederland. Enorm achteruit gegaan. Want we zitten achter de televisie. Of we zitten achter internet. [17:02] Of we zitten in onze auto. Maar. Het opzoeken van elkaar. Als familie. Als buren. Als dorpsgenoten. Als buurtgenoten. [17:13] Is veel minder dan vroeger. Juist omdat we al die technologische mogelijkheden. Om zomaar weer hier naartoe te gaan. En daar naartoe te gaan. En om ons te vermaken met een beeldscherm. Daardoor is heel veel eenzaamheid. [17:25] Wat kan je geven? Je kan gewoon een beetje aandacht geven. Aan een ouderen in je buurt. Die eenzaam is. Ook in je buurt. [17:36] En ook in je buurt wonen eenzame ouderen. Je kan ook je inspanningen geven. In de gemeente. Vele van jullie zijn betrokken in deze gemeente. [17:47] Je doet wat. Ook dat is een vorm van geven. Trouwens. Ik denk ook gewoon je dagelijks werk. We moeten het niet alleen plaatsen in het geestelijke. Of in het evangeliewerk. [17:59] Trouwens. Dat is ook een vorm van geven. Dat we ons getuigenis geven. Dat we het evangelie uitdelen. Dat we het woord van God met andere mensen delen. Maar denk ook gewoon aan je dagelijks werk. Hoe gaat u morgenochtend als u een baan heeft. [18:13] Hoe gaat u naar uw werk? Kijk. Je kunt een houding hebben van. Nou. Ik doe wat ik moet doen. Ik ben blij als de tijd weer voorbij is. Dat ik weer naar huis mag. En ik doe het. Omdat ik dan aan het eind van de maand. Een beetje geld op mijn rekening krijg. [18:24] Maar is dat een gevende houding? Je kunt ook een gevende houding ontwikkelen op je werk. Door te zeggen. Ik doe mijn best. [18:36] Ik ga ervoor. Ik ga de tweede mijl. Ik wil naar mijn werkgever toe. Maar naar mijn collega's toe wil ik laten zien. Dat ik gemotiveerd ben. Omdat ik graag wat wil betekenen voor mijn naasten. [18:47] Ten diepste doe je je werk niet. Om geld te verdienen. Als christen. Maar ten diepste doe je je werk. Omdat je iets wil betekenen voor je naasten. Omdat je wil dienen. [18:59] Omdat je hebt ontdekt je zaliger te geven dan te ontvangen. En in wat je doet. Mag je anderen tot zegen zijn. En dat is de juiste houding. En dat je daarin zegt. [19:10] Ik wil niet een klein beetje geven. Maar ik wil. Ik wil ook leren om royaal te geven. Om echt me in te zetten. En er met elkaar wat moois van te maken. En je kunt. [19:22] Zo kunnen we doorgaan. Weet je. Ook gewoon vriendelijkheid. Je kan vriendelijkheid geven. En je kan. Je kan ook geven doordat je een voorbeeld bent. [19:34] En nog veel en veel meer. Maar ik wil nu drie dingen noemen uit dit bijbelgedeelte. Die ons helpen om een blijmoedige geever te worden. Want er wordt gesproken. God heeft een blijmoedige geever lief. [19:46] Wat zijn nou dingen die ons helpen. En die ons stimuleren. En die voor ons de stuwkracht vormen. Om een blijmoedige geever te zijn. Dat we niet geven. [19:57] Dat we niet zoiets hebben van. Ja geven. En mezelf geven. Mijn aandacht geven. Of mijn geld geven. Of al die dingen. Dat niet zo van. Nou ja het moet. Want het hoort erbij. En het moet nou eenmaal. [20:08] Maar nee. Dat we het fijn vinden om dat te doen. Niet gedwongen. Zoals hier staat. Niet met tegenzin. Of uit dwang. Niet zo van. Het moet maar. [20:20] Nee maar dat je. Dat je blijmoedig geeft. Met een blij hart. Ik wil drie dingen noemen. Ten eerste dit. Het zal als een zege op je terugkeren. [20:32] Vers 6. Wie karig zijt. Zal ook karig oogsten. En wie zegenrijk zijt. Zal ook zegenrijk oogsten. Met andere woorden. [20:43] Wat je zijt. Dat zal je ook oogsten. En. Als je. Karig zijt. Zal je karig oogsten. En als je milderlijk zijt. Dan zal je milderlijk oogsten. [20:55] En dat is het eerste principe. Wat we hier vinden. En dat betekent. Dat je geeft. Maar datgene wat je geeft. Dat zal ook leiden tot een oogst. En in die oogst. [21:07] Zal je zelf ook ontvangen. De heer Jezus heeft dat zelf ook gezegd. In Lukas hoofdstuk. 6. Waar hij heeft. Waar we lezen dat hij heeft gezegd. [21:17] Geef. En aan u zal gegeven worden. Een goede. Vastgedrukte. Geschudde. Overlopende maat. Zal men. U in de schoot werven. Geven. Want met dezelfde maat waarmee u meet. [21:30] Zal er ook bij u gemeten worden. Geef. En u zal gegeven worden. Spreuken 11 vers 24. Zegt het volgende. Er zijn er. Die mild uitdelen. [21:41] En nog meer ontvangen. En er zijn er. Die meer inhouden dan rechtmatig is. Maar het is tot gebrek. Dat is een wonderlijk vers. [21:53] Dus sommige mensen die. Die delen rijkelijk uit. En toch ontvangen ze steeds meer. Maar er zijn er ook. Die meer inhouden dan rechtmatig is. [22:04] Er zijn ook mensen die. Hebberig zijn. En die op zichzelf gericht zijn. En die inhalig zijn. En die niet de vreugde kennen van het geven. En het leidt tot gebrek staat hier. [22:18] Het is tot gebrek. Vers 25. Een zegenende ziel wordt verzadigd. En wie te drinken geeft. Die zal ook te drinken krijgen. Als je zegent. [22:30] Dan word je zelf verzadigd. Als je te drinken geeft. Dan zal je ook te drinken krijgen. Spreuken 19 vers 17. Wie zich ontfermt over de armen. [22:43] Leent uit aan de heren. Hij zal hem zijn weldaad vergelden. Als je je ontfermt over hun armen. Dan leen je uit aan de heren. [22:53] En de heren zal hem. De heren zal jou dan. Je weldaad vergelden. En als we deze versen zo met elkaar lezen. [23:04] Ze sluiten allemaal bij elkaar aan. Dan vanmorgen komt eigenlijk de vraag. Tot ieder van ons. Geloof wij dit echt. Kunnen wij de heren zo vertrouwen. Dat als wij onszelf. [23:19] Met wie we zijn. En met wat we hebben. Als wij daarvan gaan uitdelen. Als wij een vrijgevige houding krijgen. In verschillende opzichten. [23:32] Hebben wij dan. Werkelijk het vertrouwen op de heren. Dat hij ons dat zal vergelden. Dat het in positieve zin. Als een boemerang op je terug zal komen. [23:43] De zegenende ziel. Wordt. Wordt gelaafd. Wordt zelf gezegend. Wordt. En daar doe je het niet om. Maar het helpt natuurlijk wel. [23:56] Je doet het niet om. Om zelf terug te krijgen. Maar je mag. Misschien denk je wel eens. Als ik ga weggeven. Waar blijf ik dan? Als ik. Aandacht aan een ander geef. [24:07] Waar blijft dan de aandacht voor mijzelf? Als ik vriendelijkheid aan een ander geef. Waar is dan de vriendelijkheid voor mijzelf? Misschien denk je dat wel eens. Of als ik van mijn geld ga weggeven. [24:18] Hoe komt het dan met. Dat ik mijn eigen rekeningen moet betalen? Weet je. En in al die dingen. Maar bijvoorbeeld. Het is toch ook zo. Als jij een stralend gezicht hebt naar een ander toe. Dan krijg je vaak een stralend gezicht terug. [24:33] En zo werkt het. Als jij verlangt naar vrienden. Wees dan een vriend. En je zult vrienden hebben. Zo werkt het. [24:46] In alles. Als jij verlangt naar succes in je werk. Dat jij hoger opkomt in je werk. [24:57] Dat jij meer kan betekenen voor een ander. Wees dan gericht op anderen. Geef jezelf in je werk. En het zal jou zelf ten goede komen. [25:08] Enzovoorts. Enzovoorts. En daarin mogen we dus ook leren om rijkelijk en om mildelijk te zaaien. Het is een principe. Wie zegerijk zaait zal ook zegerijk oogsten. [25:22] En dat is gewoon een principe uit de landbouw. En het zegt eigenlijk dit. Kijk de boer die mildelijk zaait op zijn veld. Die doet niet onverstandig. Hij denkt misschien nou. [25:33] Ik heb dit zaad. Of ik heb deze aardappelplantjes. Of weet ik wat. Hoe die dingen heet. De poot aardappels. Of ik heb een beetje zaaisel. Weet je wel. Hij denkt misschien van. [25:45] Hij denkt misschien van. Ja. Moet ik daar nou wel van weggeven. Dat heb ik. Dat is van mij. Dat is waarde die ik heb. Moet ik dat nou wel. Ik geef maar een klein beetje. Want ik wil niet zoveel weggeven. [25:58] Maar dan doet hij niet verstandig. Als hij veel zaait. Als hij veel in het land zet. En als hij dat royaal doet. Zal hij ook een royale oogst hebben. En dat is. [26:10] Het eerste principe. Waar we de heren in mogen vertrouwen. Het tweede is dit. En dat vinden we in vers 8. En daaruit leren we. [26:21] En dat helpt ons ook. Om een blijmoedige geever te worden. Dat het de heren is. Die ons alles schenkt. Want er staat in de MBG vertaling. [26:32] God is bij machten. Elke vorm van genade aan u te schenken. En er staat hier overvloedig te maken. Maar dat betekent dus vers 8. Leert ons. Dat. Alles dat wij hebben. [26:44] Dat hebben wij van de heren gekregen. God. Is het. Die overvloedig. Schenkt. God is het. Die ons. [26:57] In alles. Altijd. Al het nodige. Geeft. Zodat we overvloedig kunnen zijn in elk goed werk. Weet je. Het woordje al komt in vers 8. Elke keer weer naar voren. [27:09] God is bij machten. Elke vorm van genade. Overvloedig te maken. Zodat u. Wanneer u in alles. Altijd. Al het nodige bezit. [27:22] Overvloedig kunt zijn in elk goed werk. Het is bijna kadans. Elke keer weer. Alles. Overvloedig. Elk goed werk. Maar het vers leert heel duidelijk. [27:34] Er is niets. Dat wij hebben. Dat wij niet hebben ontvangen. Van hem. En dat is het tweede. Dat ons helpt om een blijmoedige gegever te worden. [27:47] En nou wil ik het wel even toespitsen. Ook op ons geld. Wat ik al zei. Kijk. Er zijn twee manieren waarop je kan kijken naar. Naar je geld en je goederen. Het eerste is dit. [27:58] Dat je zoiets hebt van. Kijk. Dat heb ik verdiend. Ik sta elke ochtend vroeg op. Om te gaan werken. Ik heb een bepaalde studie gevolgd. [28:09] Daarom doe ik dit werk. En ik doe mijn best op mijn werk. En ik breng offers. En dit geld heb ik verdiend. En het is dankzij mijn. [28:22] Verdiensten. Dat ik dit nu heb. En dan zie je jezelf als de eigenaar van je geld. En dan heb je zoiets van. Dat is van mij. En dan mag niemand aankomen. [28:36] En ik ben heer en meester over alles wat ik heb. Maar er is ook een andere manier waarop je naar alles kan kijken dat je hebt. En dat is zoals de Bijbel het ook zegt. [28:48] Paulus zegt ergens anders. In de eerste Korintherbrief zegt Paulus. Wat is er. Dat je niet hebt ontvangen. Als je. [28:59] Als je smorgens kan opstaan om naar je werk te gaan. Wie heeft je de gezondheid gegeven om dat te kunnen doen. Als je je studie hebt kunnen volgen om een bepaalde baan te kunnen vervullen. Wie heeft je het verstand en de intelligentie gegeven om die studie te kunnen volgen. [29:12] Als je succesvol bent in je werk. En je vermogen is toegenomen. Wie heeft jou alles gegeven wat je nodig had om succesvol te kunnen zijn. [29:25] Weet je. Er is werkelijk helemaal niets dat wij niet hebben ontvangen. Alles is genade. Niet alleen in het geestelijke maar ook in het materiële. En de Bijbel leert daarom ook het hele principe van rentmeesterschap. [29:37] En dat komt van het Griekse woordje oikonomos. En dat betekent dat is waar ons woord economie vandaan komt. Met andere woorden economie is rentmeesterschap. En ook als je denkt aan de economie. [29:49] De beslissingen die onze overheid moet nemen. Zij voeren een bepaalde economie. Dat wil zeggen zij beheren het geld dat wij met elkaar geven in onze belastingen. [30:01] Dat beheren zij. Maar dat is niet hun eigen geld. Zij moeten dat goed beheren. Zij moeten goede economie voeren. Over dat wat we met elkaar bij elkaar brengen. Om de gezamenlijke dingen in ons land te doen. [30:14] En dat betekent dat het woordje economie. Dat maakt ook dus van ons beheerders. Over datgene wat ons is toevertrouwd. Je kunt de vraag stellen of het Nieuwe Testament wel leert dat wij tiende moeten geven. [30:31] Nou tiende is een goed bijbels principe. Maar ik geloof dat de Bijbel in het Nieuwe Testament. Trouwens ook in het Oude Testament. Ons meer oproept om een bepaalde houding te hebben ten opzichte van ons geld. [30:45] In plaats van dat we heel wettisch zeggen je moet je tiende geven dan is alles goed. Je kunt je tiende geven. Maar als je een verkeerde houding hebt ten opzichte van het geld. Als je bijvoorbeeld zegt van nou het is echt van mij. [30:59] En als je ook je waarde vindt in het geld. En dat is eigenlijk de hele sfeer die onze cultuur uitademt. De waarde van iemands leven bestaat uit hoeveel hij of zij heeft verzameld aan geld en goederen in dit leven. [31:11] En daarom gaan mensen keihard voor het geld want ze bouwen hun identiteit op het geld. En het is zo van ja je bent iemand als je veel hebt verdiend of als je veel hebt verkregen. [31:23] En daarom word je hebzuchtig. En daarom ben je vaak ook ontevreden want je wil nog meer. Want het geeft geen echte identiteit. Het geeft geen echte zekerheid. [31:34] En je zult ook niet vrijgevig zijn als je zo'n houding hebt ten opzichte van geld. Weet je het belangrijkste is niet dat je een beetje weggeeft. [31:45] Maar het belangrijkste is dat je je geld zoals Koerit en Bomen het eigenlijk zei. Dat je het in een open hand houdt. Dat je niet zoiets hebt van dit is van mij en je klamt je eraan vast. [31:56] En je vindt je zekerheid en je waarde en je houdt vast daarin. Maar dat je het in een open hand houdt. Heren u heeft het mij toevertrouwd. Maar u geeft en u neemt. [32:09] En ik wil ermee omgaan zoals u wil dat ik ermee om zal gaan. Dat is Bijbels. En voor sommigen betekent dat dat ze een klein beetje kunnen geven. Voor anderen betekent dat dat ze veel meer kunnen geven. [32:20] Voor sommigen misschien minder dan een tiende. En voor anderen misschien wel veel meer dan een tiende. Ik ken ook mensen waarover ik heb gelezen die door de heren heel rijk zijn gemaakt. Maar die veel en veel meer weggaven dan hun tiende. [32:33] Want ze zeiden ik heb het allemaal niet nodig. Maar anderen hebben het wel nodig. En het is ten diepste niet van mij. Maar het is van hem. En ik wil dat het zo beheerd wordt. [32:44] Kijk daar moeten we ook over nadenken. We moeten erover nadenken dat als wij straks voor de heren zullen staan. De Bijbel zegt dat wij allemaal verantwoording zullen moeten afleggen voor de manier waarop we hebben geleefd. [32:58] Wij zullen alle voor de rechterstoel van Christus verschijnen. Opdat in ieder vergelding zal ontvangen voor wat hij of zij gedaan heeft. Het zij goed, het zij kwaad. Dat geldt ook voor ons als christenen. [33:10] En hoe zullen we dan ten opzichte van de heren staan. Ten aanzien van hoe we met ons geld zijn omgegaan. Zijn wij eerlijke, rechtvaardige beheerders geweest. Over datgene dat hij ons heeft toevertrouwd. [33:22] Dat is Bijbels. God schenkt heel veel. Hij schenkt ons in elke vorm overvloedig. Zijn genade is overvloedig. [33:35] Zodat wij ook overvloedig kunnen zijn in goede werken. Hij geeft het allemaal. En dan staat er ook in vers 9. Dat is een voorbeeld uit Psalm 112 in vers 9. [33:47] En dat is dus het voorbeeld van een rechtvaardige man. In de oudheid. Hij heeft uitgestrooid. Hij heeft aan de armen gegeven. Zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid. Deze man die had dus veel van de heren gekregen. [33:59] Maar daarvan had hij ook veel uitgestrooid. Hij had ook aan de armen gegeven. En hij had zich ontfermd over de armen. En dan staat er. Zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid. [34:10] Met andere woorden. Deze man heeft zijn schatten in de hemel verzameld. Hij heeft door. Te geven. Aan mensen in nood. Heeft hij zijn geld zo beheerd. [34:21] Dat het tot in eeuwigheid vrucht draagt. Nou dat is een diepe he denk ik. Beheren wij ons geld zo. Dat we ook met ons geld. Dat we onze schatten in de hemel verzamelen. [34:33] Elders in de brief van de Filipenses zegt Paulus. Dat het ook. Als een te goed op uw rekening komt. En daarmee bedoelt hij in geestelijke zin. De gift die Paulus gaf. Of de gift die de Filipensen gaven aan het werk van de heren. [34:45] Want de Filipense brief is een bedankbrief. Voor financiële ondersteuning. Dan zegt hij dat ook als een te goed op uw rekening wordt bijgeschreven. Dan bedoelt hij een hemelse rekening. Dus. [34:56] Zijn gerechtigheid blijft tot in eeuwigheid. Dat wij. Dat we ook ons geld investeren in dingen die eeuwigheidswaarde hebben. En het is niet van eeuwigheidswaarde. [35:08] Als je ontzettend veel ophoudt voor jezelf. Terwijl er allerlei situaties zijn. Waarin veel meer geld nodig is. Opdat er in echte noden van mensen wordt voorzien. We mogen leren om royaal te geven. [35:18] Ook in. In hulpverlening. In zending. In. Weet je. Er zijn ook armen om ons heen. Er is armoede in Nederland. [35:34] Ik hoorde van een zuster die gescheiden was. Een zuster van een gemeente. Van de kerkgenootschap waar ik bij hoor. Gescheiden. Een hele nare situatie. [35:46] Ze moet eigenlijk voor haar kinderen naar de voedselbank. Die broeders en die zusters zijn om ons heen. Als we daar niks aan doen. Als gemeente. [35:59] Dan is er geen gehoorzaam beleiden van het evangelie. En we mogen beseffen. We hebben ook van de heren gekregen. We mogen er van uitdelen. En dat is het tweede. [36:11] Maar dat geldt ook voor alle andere dingen van uitdelen. En het derde en laatste wat ik zou willen noemen is dit. Oh ja trouwens nog één ding over geld. Vers 12. Het betonen van deze dienst. [36:25] Of deze dienst der ondersteuning. Staat er geloof ik in de MBG vertaling. En dat woordje dienst is. In het Grieks liturgie. Met andere woorden. [36:36] De dienst betonen. Dat is een dienst aan God. Het is geestelijk werk. Om ook te ondersteunen. In de noden van anderen. [36:49] En het laatste wat ik zou willen noemen is dit. Vers 10. Hij nu die de zaaierzaad verschaft. Mogen ook brood tot voedsel schenken. En u. [37:00] Uw zaaigoed doen toenemen. En de vruchten van uw gerechtigheid vermeerderen. En het principe dat we daaruit kunnen leren is dit. Ieder van ons heeft heel veel om uit te delen. [37:11] Misschien zit u hier vanmorgen wel en zegt u. Ik heb helemaal niet veel geld om uit te delen. Nou dat kan zo zijn. Misschien zegt u wel. Wie ben ik? Wat kan ik geven aan een ander? [37:22] Misschien zegt u. Misschien zegt u. Misschien zegt u. Ik ben een oude weduwe. Wie zit er nou nog op mij te wachten? Of je bent een weduwnaar. [37:35] En je zit in de rouw. En je denkt. Ik weet niet wat ik eigenlijk nog beteken. Voor anderen. [37:48] Je kan heel veel betekenen. Ook als je op leeftijd bent gekomen. Je aanwezigheid. Je voorbeeld. Je gebed. Je aandacht. [38:00] Je liefde. Misschien denk je. Mijn werkzame leven is voorbij. Ik werk niet meer. Ik heb niet meer een baan in de maatschappij. Maar je hebt nog heel veel te geven. [38:12] Tot het einde toe. Misschien denk je wel. Ik heb niet gestudeerd. Ik heb mijn basisschool afgemaakt. [38:24] Maar verder nooit wat anders gedaan. Ik ben heel vroeg gaan werken. Wat heb ik nou bij te dragen? Wat heb ik nou te geven? Misschien denk je. Ik ben heel jong. Ik ben van. [38:35] Weet je. Ik ben. Ik ben nog onvolwassen. Maar je hebt altijd te geven. Ieder van ons. Want er staat hier. Hij die de zaaier zaad verschaft. [38:49] De Heere God geeft. Om uit te delen. In allerlei opzichten. Voor mijzelf was dit verse. Een geweldige bemoediging. Toen ik begon met preken. [39:02] Toen had ik echt zoiets van. Heren. Heren. Wat wilt u dat ik zeggen zal? Dan denk je echt van. Als ik daar dan voor de mensen sta. Wat moet ik uitdelen? Wat moet ik brengen? Je leert de Bijbel kennen. [39:14] Je hebt gestudeerd. Je bent er voor opgeleid. Maar dan sta je ervoor. En dan denk je. Heren. Wat? En toen bepaalde de Heere mij. Bij dit vers. Hij die de zaaier zaad verschaft. [39:26] Hij geeft. Hij geeft echt. Om uit te zaaien. En dat mag je doen. En zo mag u ook het woord van God zaaien. [39:37] Op uw manier. Op uw plek. In de gelegenheden die God u geeft. Je mag getuigen van Christus. Je mag ook zaaien van het evangelie. [39:49] Maar je mag ook je goede werken mag je zaaien. Want er wordt ook gesproken over de vruchten van uw gerechtigheid. Zal hij vermeerderen. Er wordt gesproken over gerechtigheid. Je mag rechtvaardige daden mag je zaaien. [40:00] Ook dat is zaad wat je uitzaait. En wat zal leiden tot vrucht. Dat is ook opwekking denk ik. Opwekking is niet alleen wat in samenkomsten gebeurt. Maar opwekking is ook in kleine dingen. Dat je iets liefdevols doet voor een ander. [40:14] Dat er een sfeer van acceptatie. En van vergeving. En van liefde is. En dat je helpt. En dat je ondersteunt. En dat je bemoedigt. En dat je betrokken bent op een positieve manier bij mensen. [40:24] Dat is Christus. En zo heeft ook u. Zo heb ook jij. Veel om uit te delen. Dat is het derde principe. [40:36] Dus drie dingen die ons helpen. Om een blijmoedige geever te worden. Ten eerste. De zegen zal op jezelf terugkeren als je gaat geven. In de tweede plaats. Je hebt alles van God ontvangen. [40:46] En van datgene dat je van God hebt ontvangen. Mag je rijkelijk uitdelen. Ook de Heer heeft ook jou rijk gemaakt. Echt waar. Ook jij bent rijk gemaakt door de Heer. [41:00] En we zijn op verschillende manieren rijk. Maar ieder van ons is rijk gemaakt door de Heer. En we zijn rijk gemaakt om uit te delen. En in de derde plaats. Ieder van ons heeft. [41:12] Een eigen akker om op te zaaien. De Heer geeft ieder van ons. Een bepaald soort. Zaaisel. Waarmee we rijkelijk en mildelijk en zegenrijk mogen zaaien. [41:25] En dan ook mogen oogsten. Ik sluit af met een beeld. En dat vind ik zo mooi. En dat vat een beetje samen wat ik vanmorgen heb proberen duidelijk te maken. In Israël zijn twee meren. [41:38] Je hebt het meer van Galilea. En je hebt de Dode Zee. Het meer van Galilea is in het noorden van het land. En je hebt het Hermongebergte. En daar stroomt water vandaan. [41:49] Want daar heb je ook sneeuw. En daar begint de Jordaan. Er zijn drie bronnen van de Jordaan in het noorden van Israël. En die komen samen in de Jordaan. En de Jordaan die mond uit in het meer van Galilea. [42:00] En in het zuiden van het meer van Galilea. Daar gaat de Jordaan weer verder. Met andere woorden. Het meer van Galilea ontvangt. Ontvangt en geeft. En het meer van Galilea zit vol met leven. [42:11] Er zit heel veel vis in. En planten. En het is heel schoon water. Het bruist van leven. Want het ontvangt. En het geeft. Maar je hebt een ander meer in Israël. [42:23] En dat is de Dode Zee. En uiteindelijk mond de Jordaan uit in de Dode Zee. Maar de Dode Zee heeft. Heeft niet een uitgang. De Dode Zee ontvangt alleen maar. [42:36] En dat is al heel lang het geval. En dat is een van de redenen. Dat de Dode Zee de Dode Zee is geworden. Dat heeft ook te maken met de mineralen die uit de grond komen daar. [42:47] Het is een heel bijzonder natuurverschijnsel. Zeker is het zo dat het water van de Dode Zee ook heel heilzaam is. Dat het ook heel veel genezing brengt. Ook voor allerlei huidziekten en andere ziekten. [42:58] Maar het gaat nu even om het principe. Ja, er zit geen leven. In bepaald opzicht zit er helemaal geen leven in de Dode Zee. Geen vissen en geen planten. 33% is zouten en mineralen. [43:10] Het ontvangt alleen maar. Nou, laat dat een beeld zijn. Voor Gods woord van vanmorgen. Dat wij mogen zeggen, heren. Ik wil mijzelf geven. [43:22] Ik wil mijzelf geven. En ik wil van datgene dat u mij heeft toevertrouwd. Wil ik mij geven. Weet je nog, bijvoorbeeld één heel praktisch ding. Je geeft je ook in het huwelijk. En in de opvoeding van je kinderen. [43:32] Als je bent getrouwd. En je hebt kinderen. Je hebt kleinkinderen. Dat vraagt ook offers. En onze cultuur probeert ons eigenlijk te trekken in een richting van leef voor jezelf als je maar lol hebt. [43:50] En kies vooral voor jezelf. Maar het leidt tot heel veel verdriet. Niet ook in woningen. Niet ook in woningen. In huizen. In gezinnen. Want mensen zijn gewoon egoïstisch en asociaal. [44:03] Maar als je geeft. Geef in het huwelijk. Ook als het moeilijk is met de ander. Geef aan je kinderen. Het opvoeden van kleine kinderen vraagt offers. [44:15] Het opvoeden van tieners. En het begeleiden van tieners naar volwassenheid vraagt offers. En als je kinderen volwassen zijn. [44:27] Ook dan. Kan het zijn dat je nog best wel. Gevraagd wordt om te geven. Natuurlijk mag je ook voor jezelf zorgen. [44:39] Maar dit principe is wel van toepassing. Er komt toch ongelooflijk veel op je terug. Wat krijg je niet veel terug. Als je je geeft. In dienstbaarheid. In het huwelijk. En in het gezin. Het komt echt op je terug. [44:51] Dat leidt tot leven. De heren geven dat onze levens mogen zijn. Als het meer van Galilea. Zullen we samen de heren danken.